Uit de monialenkloosters van Windesheim is een aanzienlijk aantal geestelijke brieven overgeleverd. In het onderstaande overzicht van Scheepsma zijn alle brieven geschreven door of gericht aan monialen van Windesheim of hun zielzorgers opgenomen (vgls. Kors, M.M., 'Epistolaire aspecten van de geestelijke brief (ca. 1350-1550)', in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza. Amsterdam, 1993, NLCM 8, 55).

Er worden in dit overzicht vier categorieën onderscheiden: originelen, afschriften, bewerkingen (vgl. de driedeling in Mertens, Th., 'Epistolaire aspecten van Ruusbroecs Brieven', in: OGE 64 (1990), 53-54) en verwijzingen naar verloren gegane brieven.

Per rubriek heeft Scheepsma getracht de brieven zoveel mogelijk chronologisch te ordenen. Veel van het hier opgesomde materiaal vindt men ook in het overzicht van Middelnederlandse geestelijke brieven van Kors, 1993, 381 n.10. 

Brieven van ambtelijke aard zijn buiten beschouwing gelaten; men vindt deze in: Kohl, W., E. Persoon & A.G. Weiler (red.), Monasticon Windeshemense, dl. 1, Belgien. Brussel, 1976, dl. 2, Deutsches Sprachgebiet. Brussel, 1977, dl. 3, Niederlande. Brussel, 1980, dl. 4, Register. Brussel, 1984, ABB extranummer 16, rubriek 2.2. 

    Geestelijke brieven: originelen

Een brief van broeder Bernardus aan zuster Griete Vromouds, moniale van Bethanië in Arnhem, gedateerd 9 april 1472. Er wordt o.a. verwezen naar de aanstaande professie van zuster Aleid vanden Leuwe in het Windesheimse klooster Jeruzalem te Utrecht. De meeste aandacht trok een passage over het schrijven van een getijdenboek voor zuster Gertken Kockx van den Heveren, een nicht van Bernardus. 

Bron:   Arnhem, Rijksarchief in Gelderland, Archief klooster Bethanië bij Arnhem, 52 (olim 46a)
Literatuur:  

Geurts, A.J., A. Gruijs & J. van Krieken, Codicografie en computer. Proeve van een leidraad voor het beschrijven van handschriften (PCC-project). Nijmegen, 1983, Nijmeegse codicologische cahiers 1.

Moderne devotie. Figuren en facetten. Tentoonstellingscatalogus Nijmegen, 1984, nr. 100

Kors, M.M., 'Epistolaire aspecten van de geestelijke brief (ca. 1350-1550)', in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza. Amsterdam, 1993, NLCM 8, 55)

    Geestelijke brieven: afschriften
  De drie Devote epistelen van 1418 of kort daarna, gericht aan de zusters uit Jeruzalem in Utrecht die in Diepenveen de Windesheimse orde leerden. De overgeleverde brieven zijn vermoedelijk licht bewerkt. In het tweede Epistel zijn bijv. twee tussenkopjes aangebracht die waarschijnlijk niet in het origineel voorkwamen: Hoe men dencken sal als men te missen gaet en Hoe hem een devoet mensche sal seten voer die tegenwordicheit Gades.
Editie:   (naar hs. Den Haag, KB, 133 F22); 
Brinkerink, D.A. (ed.), '"Devote epsitelen" (in Hs. no 133 F 22 der Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage)' in: NAKG 4 (1907), 324-338 (Epistel I), 397-409 (Epistel III)
Literatuur:  

Brinkerink, D.A., '"Deuoete epistelen", gericht aan zich te Diepenveen bevindende zusters uit het klooster Jeruzalem bij Utrecht', in: AGAU 27 (1901), 312-323

Axters, S., Geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden, dl. 3, De Moderne Devotie 1380-1550. Antwerpen, 1956, 169. 

Bronnen:  

hs. Den Haag, 133 F 22, f. 33r-47r (Epistel I), 47r-53r (Epistel II) en 53r-66v (Epistel III);
Afkomstig uit het klooster Jeruzalem te Venray, dateert van na 1467.

   

Verschueren, L., 'Handschriften afkomstig uit het klooster Jerusalem te Venray', in: Miscellanea Mgr. Dr. P.J.M. van Gils. [Jaarboek van Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 85 (1949)], 694-695 en 718-722.

Mertens, Th.F.C., Hendrik Mande (?-1431). Teksthistorische en literairhistorische studies. Nijmegen, 1986, diss. Nijmegen, 143

   

hs Amsterdam, UB, 1 G 35, f. 139r-141v (Epistel I);
Omstreeks 1500, uit een regularissenklooster.

    Mertens, Th.F.C., Hendrik Mande (?-1431). Teksthistorische en literairhistorische studies. Nijmegen, 1986, diss. Nijmegen, 133
    hs. Brussel, KB, 3026-3030, f.282a-295b (Epistel I);
Midden 15e eeuw, in bezit van jonkvrouw Bockaeerts uit de abdij te Vorst bij Brussel.
    Vreese, W. De, De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken. 2 dln. Gent, 1900-1902, 607-631 (Tt)
    hs. Brussel, Stadsarchief, 2915, f.102v-109v (Epistel I);
Ca. 1500, geschreven door een man
   

Mares, G. Des, 'Lettres spirituelles intéressant le couvent de Diepenveen', in: Revue des bibliothèques et archives de Belgique (1907), 439-445

Verschueren, L., (ed.), Hendrik Herp O.F.M., 'Spieghel der volcomenheit'. 2 dln. Antwerpen, 1931, Tekstuitgaven van Ons geestelijk erf 1 en 2, dl. 1, 77-89, Jan van Ruusbroec 1981, nr. 70

Mertens, Th.F.C., Hendrik Mande (?-1431). Teksthistorische en literairhistorische studies. Nijmegen, 1986, diss. Nijmegen, 136-137

   

Vgl. het overzicht van de handschriften van de bron voor Epistel I, het Boecskijn van drien staten van Hendrik Mande, bij Mertens 1986, 93-97; ook de daar niet vermelde handschriften dankt Scheepsma aan Th. Mertens.

Het verloren gegane hs. Den Haag, KB, 73 G 24 bevatte blijkens een BNM-beschrijving een tekst die vrij sterk met het eerste Epistel overeenkomt. Deze is uitgegeven door Van Iterson, 1857, 23-25 (Iterson, F.H.G. van, Stemmen uit den voortijd die wel verdienen nog eens gehoord te worden, verzameld uit een viertal handschriften der XIVe en XVe eeuw. Leiden, 1857) (het slot stond op f. 111v).

Brinkerink 1907, 321 wijst ook op overeenkomst tussen Epistel I, f. 42v-45r en het door Van Iterson 1857, 49-50 uitgegeven fragment. Deze lezing stemt eerder overeen met Mandes Boecskijn van drien staten, o.m. omdat hier het vertelsperspectief van de derde persoon is gehanteerd, dan met de 'omgeschreven'versie van het Epistel. Van Iterson nam dit fragment over uit hs. Den Haag, KB, 73 G 25, waarin het Boecskijn in zijn geheel is opgenomen (MNW, dl. 10,435 [b], nr. 25). 

  De Brief uit de ballingschap van Alijt Bake, voormalig priorin van Galilea te Gent, geschreven in het jaar 1455
Bron:    hs. Gent, UB, 3854, p. 212-230
Editie:    Spaapen, B., 'Middeleeuwse Passiemystiek, IV. De brief uit de ballingschap', in: OGE 41 (1967) 351-367.
  Vijf brieven met betrekking tot de hervorming van het klooster Mariënberg in Helmstedt:
een brief uit 1462 van Johannes Busch aan de zusters Ida, Tecla en Aleid uit Brunnepe; 
een brief uit 1465 van priorin Helena en procuratrix Geseke van Mariënberg aan dezelfde drie zusters;
een brief uit 1465 van Johanna Penninczac uit Mariënberg aan haar lerares zuster Tecla;
een brief uit 1465 van Ida, Tecla en Aleid aan het convent van Mariënberg;
een brief uit 1465 van zuster Tecla aan Johanna Penninczac en haar medeleerlingen. 
Bron:  

De vijf brieven vormen de kapittels XXVI-XXX van De reformatione monasteriorum van Johannes Busch. Busch maakte twee redacties van dit werk: een eerste in 1471 en een tweede in 1473. 

Er zijn vier handschriften van De reformatione monasteriorum over, zie: Woude, S. van der, Johannes Busch. Windesheimer kloosterreformator en kroniekschrijver. Edam, 1947, diss. Amsterdam UvA, 151-153.

Editie:   Grube, K. (ed.), Des Augustinerpropstes Iohannes Busch 'Chronicon Windeshemense' und 'Liber de reformatione monasteriorum'. Halle, 1886
Literatuur:  

Axters, S., Geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden, dl. 3, De Moderne Devotie 1380-1550. Antwerpen, 1956, 169.

Lingier, C., 'Boekengebruik in vrouwenkloosters onder invloed van de Moderne Devotie', in: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Middelnederlands geestelijk proza. Amsterdam, 1993, NLCM 8, 283.

    Een brief van de broeders Rudolf en Jacob, socii van Brunnepe, over de dood van de rector van dat klooster, Johan van Groningen. Deze is gericht aan de prior van Sint-Agnietenberg, Hendrik van Hierde, die verantwoordelijk was voor dit vrouwenklooster. De brief moet worden gedateerd op een van de mogelijke sterfdata van Johan van Groningen: 17 mei 1486 of 28 mei 1499.
Bron:   Zwolle, Rijksarchief Overijssel, Archief klooster Albergen, nr. 4 (olim Den Haag, KB, KNAW CXII), f. 7r
Editie:   [Dessing, Chr.], 'Archivalia uit het klooster Albergen', in: AGUA 64 (1940), 78-79
Literatuur:  

[Dessing, Chr.], 'Archivalia uit het klooster Albergen', in: AGUA 64 (1940), 62-64

Scheepsma, W., 'Het Kapittel van Windesheim en de zielzorg van vrouwen', in: Madoc 9 (1995), m.n. 261-263

    Een brief van Johanna van Twickel, priorin van Brunnepe, naar aanleiding van de dood van rector Johan van Groningen. De brief is gericht aan prior Gerard van Ubach en het conven van Albergen, het (Windesheimse) moederklooster van de overleden rector. Johanna schreef deze brief op 26 augustus vna het jaar 1486, 1487 of 1488.
Bron:   Zwolle, Rijksarchief Overijssel, Archief klooster Albergen, nr. 4 (olim Den Haag, KB, KNAW, CXII), f. 3r-v
Editie:   [Dessing, Chr.], 'Archivalia uit het klooster Albergen', in: AGUA 64 (1940), 76-78
Literatuur:  

[Dessing, Chr.], 'Archivalia uit het klooster Albergen', in: AGUA 64 (1940), 62-64

Scheepsma, W., 'Het Kapittel van Windesheim en de zielzorg van vrouwen', in: Madoc 9 (1995), m.n. 262-264

    Geestelijke brieven: bewerkingen en parafrasen
    Een brief van Salome van den Wiel senior, novice te Diepenveen, uit ca. 1415. Salome beantwoordt een brief van haar moeder, waarin die probeerde haar te verleiden het klooster te verlaten. Haar dochter maakt voor eens en altijd duidelijk dat zij non is en dat wil blijven. Het zusterboek parafraseert de inhoud van deze brief. 
Bronnen:   DV, f. 309v-310r en D, f. 167a
Editie:   Brinkerink, D.A. (ed.), Van den doechden der vuriger ende stichtiger susteren van diepen veen ('Handschrift D'). Eerste gedeelte - De tekst van het handschrift. Leiden, 1904, 319.
    Een brief daterend uit ca. 1420 van de vrouwe van Heenvliet aan haar dochter Liesbeth in Diepenveen, waarin zij instemt met haar dochters keuze voor het kloosterleven. De inhoud is in 'briefstijl' weergegeven in het zusterboek van Diepenveen. 
Bronnen:   DV, f. 280v-281r en D, f. 78d
Editie:   Brinkerink, D.A. (ed.), Van den doechden der vuriger ende stichtiger susteren van diepen veen ('Handschrift D'). Eerste gedeelte - De tekst van het handschrift. Leiden, 1904, 151.
    Blijkens een 17e-eeuws opschrift in een uit Facons afkomstig handschrift zou Jacomijne Costers (* 1503) de inhoud ervan hebben 'geschreven'. Het is de vraag of er hier sprake is van kopiëren of van concipiëren. Het eerste traktaat uit dit handschrift heeft epistolaire kenmerken; mogelijk is het een excerpt uit een niet bewaard gebleven briefwisseling. Blijkens het opschrift zou het om teksten van ene Margriete (<B?>ijen) gaan; willicht correspondeerde Jacomijne met deze onbekende vrouw.
Bron:   hs. Brussel, KB, IV 50, f. 1r-37r
    Brief van Jacomijne Costers uit Facons in Antwerpen aan een onbekende bevriende zuster. Costers beschrijft hierin een mirakel dat zij mocht waarnemen: het beeld van Onze Lieve Vrouw in het nonnenkoor begon te schreien toen de hevig twijfelende zuster Jacomijne tot haar bad. In een levensbeschrijving van Costers wordt de inhoud van deze brief in 'briefstijl' weergegeven.
Bron:   hs. Wenen, ÖNB, s.n. 12.827, f. 28v-31r
    Geestelijke brieven: sporen en verwijzingen
    Een twee jaar durende briefwisseling tussen Johannes Brinckerinck en Jutte van Ahaus omstreeks 1405.
Bronnen:   DV, f. 130v-131r en D, f. 32c-d
    Een brief van de moeder van Salome van den Wiel senior aan haar dochter in Diepenveen, waarin zij haar vraagt naar huis terug te keren (ca. 1415)
Bronnen:   DV, f. 309v en D, f. 166d
    De twee brieven die Griete Koetgens en Lubbe Kremers onder hun hoofdkussens achterlieten met de mededeling dat zij samen naar Diepenveen waren vertrokken om daar  in te treden (ca. 1420).
Bronnen:   DV, f. 347r en D, f. 149a
    Een brief van Liesbeth van Heenvliet uit Diepenveen aan haar neven, die het erfgoed van haar vader Johan beheren, met het verzoek de armen die daarop leven met meer genade te bejegenen (1427 of later).
Bronnen:   DV, f. 28 lv en D, f. 79b
    Een of twee brieven die Alijt Bake in 1440 vanuit Galilea te Gent richtte aan twee geestelijke vriendinnen, respectievelijk een recluse en een gasthuiszuster, in Utrecht.
Bron:   Alijt Bake, Mijn beghin ende voortganck 16, r 549-555
    Een of meer brieven van niet bij naam genoemde devote mannen, gericht aan Alijt Bake in het klooster te Gent (1440)
Bron:   Alijt Bake, Mijn beghin ende voortganck 16, r 531-434
De brieven die Jutte van Culemborg en de procurator van het Windesheimse Mariënborn (bij Arnhem) elkaar heimelijk in een kerk lieten toekomen. Door middel van deze correspondentie werd Juttes intrede in Diepenveen voorbereid; zij werd in 1453 ingekleed.
Bron:   DV, f. 378v-379r
    Een brief aan Alijt Bake, reeds verblijvend in haar verbanningsoord (Facons?). In haar Brief reageert zij op de inhoud daarvan (1455). 
Bron:   Alijt Bake, Brief uit de ballingschap 3, r. 68-73
    Een brief van Cecilia van Marick aan Fye van Marick, kloosterzuster in Diepenveen. Cecilia vroeg haar zus te onderzoeken of het mogelijk zou zijn dat ook zij een plaats in Diepenveen kreeg (omstreeks 1465?).
Bron:   DV, f. 385r
    Een brief van zuster Griete Vromoeds uit Bethanië aan broeder Bernardus (1471-1472). In de hiervoor besproken brief van Bernardus aan zuster Griete wordt aan dit schrijven gerefereerd; het ging in ieder geval over de kwaliteit van het getijdenboek van Gertken Kocx.
Bron:   Arnhem, Rijksarchief in Gelderland, Archief klooster Bethanië bij Arnhem, 52
    De brieven die Jacomijne Costers richtte aan verschillende personen van buiten haar convent Facons in Antwerpen.
Bron:   hs. Wenen, ÖNB, s.n. 1287, f. 28v

 

 Bron: W.F. Scheepsma, Deemoed en devotie, Prometheus, Amsterdam 1997