Geboren:    
Overleden:    1455
Kapittel:    Windesheim
Gemeenschap:    Galilea, Gent; Antwerpen
Historie:    Moniale Galilea; priorin 1445-1455; afgezet en verbannen

 

(zie ook: Boeckxen vander passien / Een merkelike leennghe, Drien punten die tot enen scouwenden leven behoren en Drije pointen die toebehooren een volmackt leven / Dat Boeck der tribulatien / Brief uit de ballingschap / De Lessen van Palmzondag / Een Lichtere weg / De Louteringsnacht van de actie / Van die Memorie vander passien ons heren / Mijn beghin ende voortganck / De Trechter en de spin / De Vier kruiswegen / De Weg van de ezel / De Weg der victorie. 

"Brinckerinck ried de zusters aan om zich in hun jonge jaren in te spannen om een boek met deugden aan te leggen, zodat zij daar op oudere leeftijd uit zouden kunnen lezen [Collatie 1, 112 (vgl. n.1)] Het gebruik van dit beeld is kenmerkend, niet alleen vanwege de nadruk die de moderne devoten op deugdzaamheid legden, maar ook omdat boek en schrift een belangrijke plaats innamen in hun geestelijk leven. Sommige vrouwelijke moderne devoten hebben de raad van Johannes Brinckerinck ook letterlijk opgevolgd. Zij zetten zich tot het schrijven van geestelijke teksten, waarbij vaak het thema van de deugdzaamheid ter sprake komt. De meeste van deze auteurs volgden in dat opzicht getrouw de lijn die hun grondlegger had uitgezet. Alleen Alijt Bake uit Gent week daarvan welbewust af. Zij kende de goddelijke begenading, die volgens Johannes Brinckerinck vaker aan vrouwen dan aan mannen ten beurt viel, uit eigen ondervinding en schreef daar vrijmoedig over. Omdat zij vond dat de weg die naar de godservaring leidde haar meer te bieden had, liet zij het door de Moderne Devotie geëffende pad van deemoed en devotie achter zich, met noodlottige gevolgen."(Scheepsma, 1997, 13)

"De Windesheimse kanunnikes met het grootste en meest verbreide oeuvre is Alijt Bake (†1455). Vrijwel meteen na haar aankomst in Galilea ontstonden er grote meningsverschillen met priorin Hille Sonderlants (†1445), die enkele jaren eerder uit Diepenveen was overgekomen om het nieuwe Gentse klooster naar Windesheimse opvattingen in te richten. Bake meende dat de priorin zich te zeer op uiterlijke zaken richtte, waar zij zelf de zorg voor het inwendig geestelijk leven het hoogst achtte. Uiteindelijk wist Alijt Bake het vertrouwen van de gemeenschap te winnen en in 1445 volgde zij Hille Sonderlants op als priorin. Tijdens haar prioraat schreef Bake diverse teksten die stuk voor stuk handelen over haar mystieke levensleer. Intrigerend is Mijn beghin ende voortganck, een geestelijke autobiografie, waarin zij haar moeilijke eerste jaren in Galilea beschrijft. Het eigenzinnige optreden van Alijt Bake had ingrijpende gevolgen. Zij werd in 1455 door vertegenwoordigers van het generaal kapittel van Windesheim uit haar ambt gezet en verbannen. Dat haar afzetting niet los stond van haar literaire activiteit, blijkt uit het opmerkelijke besluit dat het kapittel in hetzelfde jaar nam.

Geen enkele moniale of zuster, van welke staat zij ook is, mag boeken kopiëren die filosofische leren of openbaringen [versta: mystieke teksten] bevatten, persoonlijk of door een tussenpersoon, of de formulering nu uit haar eigen geest of uit die van andere zusters voortkomt, op straffe van opsluiting; en als er in het vervolg aangetroffen worden, is iedereen verplicht ervoor te zorgen dat ze onmiddellijk verbrand worden, zodra men ze ziet of ervan hoort; evenmin moeten ze het wagen er uit het Latijn in het Middelnederlands te vertalen.

Dit ‘schrijfverbod van 1455’ geeft het officiële standpunt van het Kapittel van Windesheim weer aangaande de kwestie van de mystiek. Het schrijven over mystieke ervaringen, in vorige eeuwen de kern van de religieuze vrouwenliteratuur, was de Windesheimse zusters nu definitief verboden." (Scheepsma, 1997, 30)

In het achtste hoofdstuk van Deemoed en devotie gaat Scheepsma uitvoerig in op Alijt Bake. Het hoofdstuk is getiteld 'Een vrouw met een opdracht'. Hij behandelt in dit hoofdstuk haar levensloop, haar verhouding tot de literatuur, de specifieke momenten waarop zij haar eigen werken schreef, haar lezers en toehoorders en de verbreiding van haar werken.

 Bron: W.F. Scheepsma, Deemoed en devotie, Prometheus, Amsterdam 1997