Naam klooster:   Domus Vallis sanctae Barbarae, Barberendal
Stichtingsjaar:   1388
Toegelaten tot het Kapittel van Windesheim:   Vanaf 1404 onder de hoede van de prior van Korsendonk, 1410 aansluiting bij het Kapittel van Groenendaal waarmee het in 1412 opging in het Kapittel van Windesheim. 
Opgeheven:    ?

 

"In 1388 begonnen tien zusters en twee lekenzusters, afkomstig uit de priorij te Lens-Saint-Rémy, in Tienen een nieuw klooster. In 1404 stelden zij zich onder de hoede van de prior van Korsendonk en zes jaar later sloot Barberendaal zich aan bij het Kapittel van Groenendaal, waarmee het in 1412 opging in het Kapittel van Windesheim. Van1415-1425 was Griete Dagens uit Diepenveen priorin in Barberendaal, om de zusters te onderwijzen in de Windesheimse observantie (DV,f. 50v enD, f.128b-c). In 1421 was Barberendaal in staat om zuster Amalberga van der Hoeven en twee medezusters uit te zenden naar Bethanië in Mechelen om daar het kloosterleven op gang te brengen. Amalberga van der Hoeven werd de eerste rectrix van Bethanië; zij bleef tot omstreeks 1424 in functie. Uitvoeriger over Barberendaal gaat Persoons 1972.

In 1404 stelden de zusters zich onder de leiding van de prior van Korsendonk, Walter van Gierle, die statuten opstelde, de zusters een priorin liet kiezen en Godfried van Utrecht als rector aanstelde. De rectoren van Barberendaal kwamen daarna meestal uit Brabantse kloosters: Korsendonk, Groenendaal, Rooklooster.Tussendoor waren er enkele zielzorgers uit het Noorden werkzaam: Hendrik van Wilde uit Windesheim trad aan in 1418 en bleef tot 1425. Hij werd opgevolgd door Godfried van Kempen uit Sint-Agnietenberg, die vermoedelijk in functie bleef tot 1433. Vanaf 1463 waren de zielzorgers steeds afkomstig uit Rooklooster; of de prior van dat klooster ook commissarius was, is niet bekend.

We weten niets van betrokkenheid van de zusters van Barberendaal bij het literaire bedrijf, maar zij hebben wel rectoren gehad die op dat gebied actief waren. Godfried van Utrecht (Godefridusde Traiecto) is de vermoedelijke auteur van het Gramaticale, een vereenvoudigde bewerking van het Doctrinale van Alexander de Villa Dei (ed. Klinger1973). Hoewel dit grammatica-leerboek in Barberendaal is geschreven, was het vrijwel zeker niet voor de kanunnikessen bedoeld (Klinger 1973,16). 

Godfried Kemp of van Kempen was kanunnik van Sint-Agnietenberg, waar hij diverse liturgische handschriften kopieerde en/of illumineerde. Later werkte hij in het Zuiden in de zielzorg. Hij is bekend als auteur van zeker één preek, overgeleverd in hs. Brussel, KB, 4367-4368, f.301-305; het handschrift is afkomstig uit het regularissenklooster Jericho te Brussel, dat vóór 1456 Ter Cluse was geheten (zie Despy-Meyer 1971). Vermoedelijk heeft Godfried deze preek, en eventuele andere, ook voor de zusters van Ter Cluse gehouden. Over Godfried van Kempen zie Kohl, Persoons & Weiler 1976-1984, dl.3, 31en33.

In Barberendaal werd in 1429 de basis gelegd voor het Boecken van den inwendighen gheestelike oefeninghe en de uutwendeghen lichameliken oefeninghen, zo blijkt uit de proloog in hs. Parijs, Bibliothèque de l'Arsenal, 8209 (ed. Martin 1885-1899, dl.6, 436). Het werk werd voortgezet in het Rooklooster en voltooid in Zevenborren. In de proloog staat dat de auteur teruggrijpt op het werk van zijn geestelijke vaders, Geert Grote en Florens Radewijns. Godfried van Kempen zou de auteur kunnen zijn; hij immers vervulde in1429 naar alle waarschijnlijkheid het rectorambt in Barberendaal (vgl. Dykmans 1941,417 en 504; met dank aan K. Stookeren Th. Verbeij). Gezien het gebruik van de volkstaal lijkt het Boecken primair voor vrouwen te zijn bedoeld (wat door de overlevering lijkt te worden bevestigd). Werd het wellicht aanvankelijk voor de zusters (novicen) van Barberendaal gemaakt?Over het Boecken zie Moderne Devotie. Figuren en facetten 1984, nr. 111, Willeumier-Schalij 1990, 243-244 en Warnar 1995, 139; De Bruin 1940, 236-237 geeft een kort fragment uit.

Godfried van Kempen werd opgevolgd door Hendrik uten Bogaerde uit Groenendaal, beter bekend als Henricus Pomerius (1433-1446). Pomerius was een productief auteur; zijn bekendste werk is De origine monasterii Viridisvallis, een kroniek van Groenendaal waarin levensbeschrijvingen van Ruusbroec en Jan van Leeuwen zijn verwerkt (ed. [DeLeu] 1885). Zijn werk en handelen vooral over gebed en meditatie.Voorzover bekend heeft hij geen literatuur geschreven voor de zusters van Barberendaal. Een overzicht van Pomerius' literaire werk geeft Warnar 1995, 133-140.

Tot slot noem ik de bijzondere figuur van Hendrik Smet, die Barberendaal omstreeks 1400 begunstigde. Hij is de hoofdpersoon in een tweetal mirakelen in een leven van Sint-Barbara dat afkomstig is van de birgitinessen van Mariewater in Rosmalen (hs. Den Haag, KB, 133 B13). Daarin is o.m. sprake van een bedevaart naar Barberendaal in Tienen door genoemde Hendrik (zie M. van Dijk 1987, 151)." (Scheepsma 1997, 222-223)

Bronnen:

Boecken van den inwendighen gheestelike oefeninghe ende uutwendeghen lichameliken oefeninghen, hs. Parijs, Bibliothèque de l'Arsenal, 8209 (ed. Martin 1885-1899, dl. 6, 436)

Preek vam Godfried van Utrecht, hs. Brussel, KB 4367-4368, f. 301-305; het handschrift is afkomstig uit het regularissenklooster Jericho te Brussel, dat vóór 1456 Ter Cluse was geheten (zie Despy-Meyer, A., 'Prieuré de Notre-Dame de la rose de Jéricho, à Bruxelles' in: MB IV-5 (1971), 1247-1271)

Leven van Sint-Barbara, hs. Den Haag, KB, 133 B 13

Literatuur:

Bruin, C.C. de, Middelnederlands geestelijk proza. Zutphen, 1940

Dijk, M. van, 'Hagiografie van de heilige Barbara in Brabantse vrouwengemeenschappen. Waarheid, ideologie en fantasie', in: B. Ebels-Hoving, C.G. Santing & C.P.H.M. Tilmans (red.), 'Genoechlicke ende lustige historiën'. Laatmiddeleeuwse geschiedschrijving in Nederland. Hilversum, 1987, MSB 4, 142-155

Dykmans, M., Obituaire du monastère de Groenendael dans la Forêt de Soignes. Brussel, 1941, Publications de la commission royale d'histoire de Belgique, série in 8

Klinger, C., Godefridi de Traiecto, 'Gramaticale'. Untersuchungen und kritische Ausgabe. Rattingen [enz.], 1973, Beihefte zum Mittellateinisches Jahrbuch 12

Kohl, W., E. Persoons & A.G. Weiler (red.), Monasticon Windeshemense, dl. 1, Belgien. Brussel 1976, dl. 2, Deutsches Sprachgebiet. Brussel, 1977. dl. 3, Niederlande. Brussel, 1980, dl. 4, Register. Brussel, 1984, ABB extranummer 16

Leu, J.B. De, 'De origine monasterii Viridisvallis una cum vitis B Joannes Rusbrochi primi prioris hujus monasterii et aliquot coaetaneorum ejus', in: Analecta Bollandiana 4 (1885), 257-334

Moderne Devotie. Figuren en facetten. Tentoonstellingscatalogus Nijmegen, 1984

Warnar, G., Het 'Ridderboec'. Over Middelnederlandse literatuur en lekenvroomheid. Amsterdam, 1995, NLCM 10, diss. Leiden. 

Willeumier-Schalij, J.M., 'Middelnederlandse mystiek rond 1500: troost in gelatenheid', in: OGE 64 (1990), 227-253. [ook in: Cockx-Indestege, Deschamps, Hendrickx [e.a.] (red.), Spiritualia Neerlandica. Opstellen voor dr. Albert Ampe. Antwerpen, 1990)]

 

 Bron: W.F. Scheepsma, Deemoed en devotie, Prometheus, Amsterdam 1997