De gangbare mening over de priesteropleiding in de Nederlanden gedurende de 15de eeuw is negatief. Het mankeerde aan theologische vorming; kandidaten waren aangewezen op zelfstudie en enige praktijk bij een pastoor; voor toelating tot de hogere wijdingen volstond een eenvoudig examen bij de bisschoppelijke curie. Het onderzoek van de Nijmeegse emeritushoogleraar Anton Weiler wijst in een andere richting. Hij werkte jarenlang aan de editie van het enige handschrift met de Gnotosolitos Parvus van de Rotterdammer Arnoldus Gheyloven (ca. 1375-1442), aan wie hij eerder een studie wijdde [Collatie nr. 20 ( okt 2007) 3-4].
 
Deze erudiete windesheimse regulier van Groenendaal was bekommerd om een goede vorming van priesterstudenten. Daarom stelde hij op basis van zijn omvangrijker werk over theologische thema‚Äôs, de Gnotosolitos Magnus, een uitgebreid abstract samen, waarin hij moraal en kerkelijk recht op elkaar afstemde.
 
Met deze Gnotosolitos Parvus wilde hij ook priesters tegemoet komen, die de leiding hadden over priesterstudenten. Weiler toont aan dat dezen gezocht moeten worden zowel in een van de paedagogia in de sfeer van de jonge universiteit van Leuven (1425) en de  Sint Maartensschool (1433) aldaar als ook in de relatie tussen Leuven en de broeders van het gemene leven in Deventer.
 
Ofschoon niet bewezen, bestaat het vermoeden dat ook de priesterkandidaten van het Heer Florenshuis de vruchten van de Gnotosolitos Parvus genoten hebben. In ieder geval beschikken wij met de perfecte teksteditie van Weiler over de grondslag voor verder onderzoek naar de vorming van jonge devoten tot opbouw van de Kerk. [Rudolf van Dijk] 

 

Auteur:   A.G. Weiler (uitg.)
Aantal pagina's:   600 pp.
Uitgever:   CCCM, 212, Turnhout, Brepols clxxvii + 600 pp. 
Jaar van uitgave:   2008
ISBN:   978-2-503-05121-5

 

 Bron: Collatie 26 - December 2010